Fodor
In het begin had ik zoiets van: ‘Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen?’ Maar ik kreeg een opdracht van de Rijkdienst van Monumentenzorg om het verbouwingsproces in een serie etsen uit te drukken. Toen ging ik er heel anders naar kijken, rustiger, zo van het is niet zomaar een ouwe troep, het vertelt een verhaal. Het hoefde allemaal niet zo vlug. Ik nam er echt de tijd voor om te kijken naar die rommel. En hoe schoner het werd, hoe meer aangepast aan deze tijd, hoe meer moeite ik er mee had. Eerst wilde ik die balken schilderen, maar toen ik een paar overgeschilderd had, dacht ik van, nee, ik laat ze zo met het vuil van de eeuwen, in hun natuurlijke ouderdom. Ik heb zoveel mogelijk geprobeerd om op die manier te werken, niets weggooien en zoveel mogelijk hergebruiken en herwaarderen. Ik sloeg de spijkers weer recht die ik uit het sloophout haalde om ze weer te gebruiken, maar dat is eigenlijk onzinnig. Terwijl ik daar mee bezig ben, weet ik ook van het bestaan van luchtdrukpistolen, die de spijkers in het plafond schieten en daar sta ik een half uur te modderen om één spijker in het hout te krijgen! En toch … ik zie wel degelijk een soort samenhang tussen het werken in het pakhuis en mijn werk als beeldend kunstenaar. Of ik nou een muurtje afbik, of dat ik een schilderij maak, ik ben beeldend bezig. Die verlegging van waarde vind ik heel intrigerend. Vaak kunnen mensen alleen lovend praten als ergens een lijstje omheen zit en het tegen de muur hangt in een museum of galerie. Dat vind ik heel vreemd.
De vraag wat een ‘kunstwerk’ tot iets bijzonders maakt, houdt mij wel bezig. Het is toch de waarde die de toeschouwer er aan geeft. De moeilijkheid van dingen in een museum is: de mensen zien het en geven een interpretatie van het zien, en niet van het doen. Het doen voor mij is belangrijker dan het resultaat. als ik een muurtje aan het afbikken ben, dan ben ik bij wijze van spreken in de 16e eeuw. Dat vind ik heerlijk. Dat had ik ook al voordat ik dit pakhuis had. Als ik zondag ’s ochtends over de grachten liep, dan hoorde ik het ratelen van de karren en kon ik mij terug in de tijd wanen. Dan zag ik ineens een man met een cape en een hoed; wat dat betreft heb ik een grote fantasie. Ik heb het idee dat ik steeds meer in tijd ben gaan denken. Ik krijg iets van: ‘Ja, er is een gisteren geweest en dat heeft het moment gemaakt voor morgen’ Tijdens de verbouwing heb ik een stuk geschiedenis beleefd, en wat ik in mijn etsen laat zien, is een persoonlijke beleving daarvan. Het proces is in feite niet afgelopen. Nog steeds ben ik bezig de ruimte te onderzoeken en wil ook andere mensen de gelegenheid geven om de ruimte te gebruiken.



